“Mag ik nog een keer ranja?”
‘Straks krijg je weer ranja. Dan zal ik ook dropjes voor je meenemen’
“Krijg ik dan dropjes?”
‘Dan krijg jij dropjes van me. Maar vertel nog eens?’
“Ik vind dropjes lekker. U bent lief”
‘Zeg maar jij hoor. Ik heet Marga. En jij heet Tim’
“Ja ik ben Tim. Mamma zegt altijd dat ik haar grote jongen ben. Ik woon met mamma in één huis. En ik heb een eigen kamer met heel veel speelgoed.”
‘Vind je het leuk om bij mamma te wonen?’
“Ja, mamma is lief. Maar mamma houdt niet van de muisjes. Ik vind de muisjes wel lief.
Die lopen dan door ons huis en dan ren ik er achter aan. Maar ze zijn wel heel snel. Ze zijn snellen dan ik. Maar later als ik groot ben kan ik ze wel pakken, want mamma zegt dat als ik later groot ben, ik nog harder kan rennen.”
‘En wil jij ze dan ook pakken?’
“Ja, maar mamma vindt de muisjes niet lief. Mamma zegt dat ik niet met de muisjes mag spelen. Dat de muisjes stout zijn. Maar als mamma er niet is dan doe ik dat stiekem toch wel. Eén keer heeft één van de muisjes mij gebeten. Dat deed zeer. Toen moest ik huilen.”
‘En wat deed je toen?’
“Toen moest ik huilen. Toen ben ik naar de buurman gerend want daar was mamma. Ik kan wel bij de deurbel dus heb ik heel veel aangebeld en geschreeuwd. Dat duurde heel lang en ik moest heel lang wachten. Maar toen kwam mamma. Mamma werd heel erg boos toen ik vertelde wat er gebeurd was.”
‘En wat deed mamma toen?’
“Mamma werd boos.”
‘……en wat deed mamma toen?’
“Jij bent ouder dan mamma. Maar niet ouder dan oma. Oma is heel oud. Oma is ook wel lief. Oma aait altijd door mijn haren en zegt dat ik veel op pappa lijk. Mamma zegt dat nooit.”
‘Vind jij pappa lief?’
“Dat weet ik niet. Ik zie pappa nooit. Maar hij is wel heel sterk. Hij kan mij zo optillen. En hij heeft een schommel voor mij gemaakt in de achtertuin en ik kan heel hoog op de schommel.”
‘Speel jij wel eens samen met mamma met de schommel?’
“Niet zo vaak, wel soms. Op school speel ik wel veel met de schommel. Maar thuis niet zo vaak….”
‘En wat speel jij thuis graag?’
“Ik moet altijd buitenspelen, maar dan niet in de achtertuin. Dan ga ik altijd op mijn fiets weg. Dat moet dan van mamma en van de buurman. Want de buurman komt altijd bij mamma langs nu. Omdat ik was gebeten door dat muisje blijft mamma thuis en komt de buurman bij mamma om koffie te drinken.”
‘En wat vind jij daar van?’
“Mamma heeft ook allemaal doosjes door het huis gezet. Doosjes met grijze korreltjes. Het is net hagelslag maar ik moet er van mamma afblijven. Die korreltjes zijn heel gevaarlijk. Die zijn voor de muisjes. Die eten die hagelslag op en dan komen ze nooit meer terug zegt mamma.”
‘En wat vind jij daar van?’
“Ik wil niet dat de muisjes weg gaan, ik vind de muisjes lief. Maar het moet van mamma.”
‘En wat vind jij van de buurman?’
“Ik vind de buurman ook wel lief. Hij komt dan altijd langs bij mamma en dan krijg ik geld van de buurman. Dan mag ik snoep kopen. Soms krijg ik dan vijftig cent maar ook een keer heb ik een hele euro van de buurman gekregen.”
‘Wat vindt mamma daar van?’
“….Ik wil nog een keertje ranja.….. ik wil naar mamma toe.”
‘Zo meteen zal ik nog een keertje ranja voor je halen’
“En dropjes.”
‘Ja dan haal ik ook dropjes voor je’
“….”
‘….’
“Vandaag kwamen er allemaal auto’s bij ons in de staat. Heel veel en allemaal auto’s met zwaailichten. En er waren heel veel mensen. Toen kwam Anja van de overkant. We zijn in een politieauto naar hier gereden. Ik heb nog nooit eerder in een politieauto gezeten. Dat was wel heel spannend.”
‘Ja, je bent nu op het politiebureau. Wij willen graag met jou praten.’
“Waarom dan?”
‘Wij willen graag weten hoe het met jou gaat en hoe het thuis is met jouw mamma en met de buurman.’
“Waarom dan?”
‘Gaat mamma veel om met de buurman?’
“De buurman komt heel vaak langs. Bijna iedere dag. Mamma vindt de buurman denk ik niet zo lief want als ik dan terug kom dan moet mamma soms huilen. En dan aait ze me door mijn haren net als oma, maar dan zegt ze niets. Dan moet mamma huilen. Maar soms is ze dan ook chagrijnig als ik terug kom, dan doet ze boos en zo. Dat vind ik niet leuk als mamma zo doet, dat vind ik naar. En soms staat ze onder de douche. Dan mag ik niet bij haar komen.”
‘Wat zegt mamma dan?’
“Dan moet mamma huilen. Ik denk dat dat komt omdat de buurman dan is geweest.”
‘En wat vind jij daar van?’
“Ik wil niet dat mamma verdrietig is. Maar ik vind de buurman wel lief want ik krijg altijd geld van de buurman. Die komt dan koffie drinken. Maar mamma moet altijd huilen als ik dan terug kom. Maar vandaag heb ik mamma geholpen. Mamma hoeft nu niet meer te huilen want de buurman komt niet meer terug.”
‘En waarom is dat?’
“De buurman komt altijd koffie drinken, maar ik heb alle muizenhagelslag door de koffie gedaan. Dan drinkt de buurman van de muizenkorreltjes en komt hij nooit meer terug. Net als met de muisjes. En dan hoeft mamma ook niet meer te huilen. Dan zal mamma weer blij zijn.”
alsdus orakel bart


0 Comments:
Een reactie posten
<< Home